Focus op de KEW-laureaten: Stef schrijft over hun binnenwereld, Benoit verbeeldt hun buitenwereld

Op 14 juni sloten we ons seizoen in stijl af, met het laureatenconcert van de Koningin Elisabethwedstrijd. Drie topviolisten gaven het beste van zichzelf, begeleid door Brussels Philharmonic. Stef Van Vynckt, zelf professioneel harpist in opleiding, beschrijft hieronder de hersenspinsels die dit concert bij hem aanwakkerden. Hij schrijft over de binnenwereld van de musici: het inspirerende meesterschap, de onvermijdelijke competitiviteit, een streven naar erkenning en eigenheid, en uiteraard de subjectiviteit van ieders oordeel.

Tekenaar 
Benoit Vermaele focust dan weer op de buitenwereld van de solisten, vanuit de gedachte 'kiezen is verliezen'. Benoit: "Bij het aanhoren van de onvoorstelbare virtuositeit, bedacht ik me wat voor leven deze jongeren wel niet moeten leiden. De harp met tralies in plaats van snaren staat zodoende voor de 'prijs' die ze betalen voor het cultiveren van hun talent, met de vrije buitenwereld voorgesteld door de wild groeiende takken. Het oog op de top staat voor de controle van ouders en docenten". Het is dus allemaal een kwestie van focus...



De Koningin Elisabethwedstijd, elk jaar opnieuw een hoogtepunt voor klassiekminnend België, alsook ver daarbuiten! Ik moet bekennen dat ook ik mijn avonden een week lang voor de tv doorbreng. Muzikant zijnde werkt niets meer inspirerend (of ontmoedigend - schrap wat niet past) dan uitmuntende muzikanten aan het werk zien. Ikzelf ben van de eerste soort. Wanneer de uitzending erop zit kan ik niet aan de drang weerstaan aan het studeren te slaan. Tot 1-2 uur in de nacht, naargelang mijn huisgenoten storing ondervinden. Ik denk dat we het er toch over eens kunnen zijn dat we ook tijdens deze editie op de ‘crème de la crème’ getrakteerd werden.

Een terechte bijzondere vermelding voor onze hoogsteigen Sylvia Huang - ook ik voel me dan even echt Belg - die met een buitengewoon kleurenpalet de misschien wel meest lyrische, eerlijke en ontroerende - het woord moest en zou vallen - vertolking bracht. Ik vermoed dat het al veelvuldig vermeld werd, maar dat een jurylid het strikte protocol omtrent applaudisseren - gewoonweg niet doen - uit het oog verliest, complementeert wat iedere toeschouwer net ervaren had.

Ik ga ervan uit dat ik niet alleen ben wanneer ik zeg dat ik reikhalzend uitkijk naar wat onze landgenote nog voor ons in petto heeft. Het Concertgebouworkest heeft er alvast een seizoentickethouder bij. Een overweging die trouwens ongeacht Sylvia gemaakt zou moeten worden - tot op heden is het het beste orkest dat ik ooit aan het werk mocht zien, al gebiedt de eerlijkheid me te zeggen dat ik over de bescheiden leeftijd van 21 beschik - maar haar charme en meesterschap hebben me wel over de streep getrokken.

Nu zal elke muzikant beamen dat wedstrijden hoogst onnatuurlijke aangelegenheden zijn. Om Béla Bartók even te citeren zijn wedstrijden “voor paarden, niet voor artiesten”. Het zit echter in de menselijke genen overal een competitie van te maken – het wordt ons ook met de paplepel meegegeven. Werknemer van de maand, ondernemer van het jaar, prijs voor de literatuur, Miss Universe… noem eender welke discipline en gegarandeerd word je bij het openen van een zoekmachine onmiddellijk tientallen competities aangeboden.

We beschikken allen over die drang om ergens ‘de beste’ in te zijn – het gaat zelfs zo ver dat supporters zich de verdiensten van ‘hun’ team toe-eigenen of er toch in elk geval zo over spreken. Misschien moet ik dat laatste even opnieuw verwoorden en stellen dat we over de drang beschikken onszelf te bewijzen – dat zal door velen onder ons als correcter ervaren worden – want we willen steeds onze ijdelheid waarborgen.

Terugkomend op de muziekcompetities en hoe die haaks staan op het artiestwezen; laat ik eerst even de advocaat van de duivel spelen. Doorheen de geschiedenis is het zo gegroeid dat de kunst meer en meer met de artiest vereenzelvigd werd; het meest tekenende voorbeeld daarvan is dat we bij het aanduiden van een kunstwerk inmiddels over een Picasso of een Beethoven spreken. Deze artiesten zouden daar tevens niet om getreurd hebben aangezien het denkbeeld waarbij het individu centraal staat al aan belang gewonnen had toen zij deze aardbol bewandelden. Dat is vandaag niet anders. Elke artiest zoekt naar een eigen stem, een eigen interpretatie, een eigenheid in het algemeen.

Elke artiest wil zich onderscheiden. Het gegeven dat het artistieke individu dan in de belangstelling kan komen te staan door het deelnemen aan een wedstrijd, en zich bijgevolg kan profileren, ligt vanuit dat perspectief wezenlijk in lijn van het artiest willen zijn. Dat daarbovenop de juryleden de mate waarin een zeker ‘kunstenaarschap’ bij de deelnemer aanwezig is hanteren bij het vellen van hun oordeel, zet dat idee enkel kracht bij. Dit alles om aan te tonen dat de mening dat competities niet voor artiesten zijn in wezen niet strookt met wat de artiest nastreeft - laten we het erkenning noemen. Daarenboven is het deelnemen aan wedstrijden ondertussen het meest geschikte middel om als muzikant naam en faam te maken, kijk maar naar de laureaten van de Koningin Elisabethwedstrijd.

Het voornaamste argument ter Bartóks verdediging is dat men over smaken niet moet discussiëren. Dat houdt in deze situatie ook echt wel steek aangezien het stuk voor stuk fenomenale muzikanten betreft. Persoonlijke voorkeur is dan al gauw het enige criterium dat blijft standhouden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat sommige muzikanten bij de ene wedstrijd unaniem de eerste prijs wegkapen en er bij de andere niet in slagen de finale te halen. Bij paardenrennen bijvoorbeeld kan er simpelweg objectief en empirisch nagegaan worden wie wint. Van zodra een jury moet beslissen wie ‘de beste’ is, overheerst subjectiviteit. Absoluut: een twintigkoppige jury zal tot een ‘correcter’ resultaat komen dan een jury die uit slechts vijf man bestaat – u leest die aanhalingstekens goed, aangezien wat correct is door iedere luisteraar anders ingevuld kan en zal worden.

Wat betreft de onnatuurlijke situatie: een leven lang (eerlijkheidshalve in mijn geval nog steeds slechts 21 lentes jong) trainen om de best mogelijke versie van zichzelf te bekomen. Om zichzelf vervolgens in een momentopname te meten met anderen die net dezelfde weg afgelegd hebben, zich bewust zijnde van het feit dat, hoezeer ook we zelf tevreden kunnen zijn van een prestatie, er zich een reële kans voordoet dat de jury een andere mening toegedaan is. Verder worden we er ook regelmatig op gewezen dat hoewel een bepaalde interpretatie prachtig is, we deze op audities beter niet spelen aangezien die door de jury niet gesmaakt zou worden (te experimenteel, onconventioneel).

Tot slot wil ik er even op wijzen dat het spelen binnen de context van een concertgebeuren met publiek en het spelen binnen de context van een competitie twee uitersten zijn wat betreft de beleving.